Blogs

Hoe Bosco zijn broers redde

Naar schatting 1,8 miljoen mensen zijn Zuid-Soedan ontvlucht vanwege geweld en honger, vooral naar Uganda. Rieneke de Man van ICCO bezocht een vluchtelingenkamp in Noord-Uganda en sprak met de mensen daar over hun leven en hun hoop. Lees haar verhaal in Trouw over Bosco. Lees hier haar blog over deze ontmoeting. Rieneke: “Tranen prikken achter mijn ogen. Dat sprankje hoop raakt mij.”

Hoe Bosco zijn broers redde

In het vluchtelingenkamp Imvepi zie ik drie stoere jongens gebogen over een buis waar water uitlekt. Ze draaien de buis aan, zodat het lekken stopt. ‘We werken als vrijwilliger in het kamp’, vertelt een van de jongens. Zijn naam is Bosco, 23 jaar en afkomstig uit Yei. Hij en zijn twee broertjes, Simon (22) en Nicolas (21) zijn nu verantwoordelijk voor het vullen van enkele watertanks. Er lopen een paar meisjes langs. De jongens zwaaien. De meisjes lopen giechelend verder. ‘We hebben al veel vrienden gemaakt’, vertelt Bosco trots. Ik vraag aan hem hoe ze hier zijn gekomen. ‘Dat is een lang verhaal’, zegt hij.

We gaan samen met zijn broertjes naast de watertank zitten en hij begint te vertellen: “Mijn telefoon rinkelde. Het was mijn oom. Hij vroeg of ik hem kon komen ophalen. Mijn dag in de garage zat er op en ik sprong op de motor. Samen reden we naar huis. Onderweg bespraken we de nijpende voedselsituatie in Yei. Door blokkades kwam er nauwelijks nog voedsel de stad binnen. De voedselprijzen rezen de pan uit en de situatie begon alarmerende vormen aan te nemen. We hadden op dat moment al vijf dagen geen warme maaltijd meer gegeten. ‘Laten we het over iets anders hebben’, zei m’n oom, en vrolijk begon hij te vertellen over wat hij die dag had meegemaakt.

Bosco en broersDoor Rieneke de Man/ICCO en Kerk in Actie.

Die dag liep het anders.

Ik genoot altijd van die ritjes samen met mijn oom. Maar die dag liep het anders. Opeens hoorde ik luide stemmen. Van alle kanten kwamen mensen aanstormen. Overheidstroepen, dacht ik verschrikt. Ik drukte het gaspedaal in. Op dat moment voelde ik iets langs mijn oor suizen. In mijn ooghoek zag ik iets glinsteren en ik dook naar beneden. Achter mij hoorde ik een harde gil en een doffe klap. Toen ik omkeek zag ik mijn oom bloedend op de grond liggen. Hij was niet meer te redden. Ik boog mij over het stuur en zette alles op alles, zodat ze mij niet ook te pakken zouden krijgen.

Ik wachtte in de bosjes totdat de schemering viel. Toen het geluid van schreeuwende mensen was weggestorven reed ik behoedzaam terug naar de plek des onheils. Ik wilde mijn oom een laatste eer bewijzen en hem de begrafenis geven die hij verdiende. Het kapmes had mijn oom midden in het gezicht geraakt. Zijn gezicht, of wat daarvan over was, staat nog steeds op mijn netvlies gebrand. Soms schrik ik ’s nachts wakker en hoor ik mijn oom schreeuwen. Het duurt vaak even voordat ik besef dat ik droom.

Verbitterd

Na de dood van mijn oom was ik verbitterd en kwaad op de overheid. Ik ben een Kakwa. Systematisch en gericht worden wij door de overheid afgeslacht. Ik wilde het leven van mijn oom wreken. Mijn twee jongere broertjes en mijn ouders probeerden mij tegen te houden, maar ik was vastbesloten en sloot mij aan bij de rebellen.

In de bush kwam het nieuws tot mij dat mijn ouders waren verdwenen. Ik besloot om terug te keren naar huis. Mijn broertjes vertelden dat onze moeder in een naburig dorp bij een familielid op bezoek ging, maar nooit terug kwam. Mijn vader keerde niet terug van een van zijn diensten als politieagent. Niemand kon ons vertellen wat er met onze ouders was gebeurd. Dat was voor mij de druppel. Ik besloot om samen met mijn broertjes te vluchtten naar Oeganda, zodat ik hen tenminste in veiligheid kon brengen.

We liepen zeven dagen door de bush en leefden van wat het bos ons te bieden had. Toen de regens uitbleven hadden we twee dagen niets te drinken. We stonden 24 uur per dag op scherp. ’s Nachts  hielden we om beurten de wacht, terwijl de anderen probeerden te slapen. Na dagen lopen bereikten we de grens. De opluchting was groot toen we onze tassen onderin een bus konden gooien en plaats konden nemen. Deze bus bracht ons naar Imvepi.”  

“Zijn ellende raakt mij”

Ik kijk naar Bosco. Hij lijkt ouder dan zijn 23 jaar doet vermoeden. ‘Hoe zie je de toekomst voor je?’ vraag ik. ‘Ik hoop dat mijn broertjes hier in Oeganda hun opleiding kunnen afronden’, zegt Bosco. ‘Dit is in Zuid-Soedan nu onmogelijk. Maar ik zelf ga deze week nog terug naar Zuid-Soedan.’ ‘Wat!’ schreeuw ik. ‘Volgens mij heb ik je niet goed verstaan.’ ‘Ik moet terug’, zegt Bosco opnieuw. ‘Ik geloof dat mijn ouders nog leven. Nu mijn broertjes veilig zijn moet ik terug om hen te zoeken.’ Ik voel tranen achter mijn ogen prikken. Onvoorstelbaar, na alles wat deze jongen heeft meegemaakt riskeert hij opnieuw zijn leven om zijn ouders te zoeken?! Dat sprankje hoop van Bosco, de liefde voor zijn ouders en zijn broertjes te midden van al deze ellende raakt mij.  

Het broertje van Bosco staat ondertussen ongeduldig met zijn mobiel te zwaaien. ‘Ben je nu eindelijk klaar? Mogen wij nu ook met jou op de foto?’ Verdwaasd glimlach ik in de camera.

bosco en broers

De nationale actie Giro555, waar ICCO en Kerk in Actie deel van uitmaken, zamelt geld in voor de slachtoffers van hongersnood in zuid-Soedan. ICCO zorgt dat jonge Zuid-Sudanese vluchtelingen een bedrijf in de landbouwsector kunnen opzetten.